toegang voor visueel gehandicapten
U bent hier: Geschiedenis > Klokken en Beiaard
Tekst kleiner Tekst groter

Geschiedenis > Klokken en Beiaard


Beiaardier
 

Klokken vormen samen met een klavier in de toren de beiaard*. De stadsbeiaardier speelt op het klavier zoals op een piano, maar de toevoeging van pedalen doet het klavier ook op dat van een orgel lijken. In plaats van toetsen heeft het klavier stokken, die via een ingenieuze dradenconstructie verbonden zijn met klepels in de klokken. Dit stokkenklavier brengt de klepels in beweging. In de Torenstraat is een klein onopvallend deurtje dat toegang geeft tot een smalle wenteltrap. Naar boven hollen is er niet bij, met 360 treden voor de boeg is het zaak een rustig tempo aan te houden. Na het passeren van de grote klok komt de ruimte met het automatisch speelwerk. Nog een trap hoger, achter de wijzerplaten, is de speelruimte van de beiaardier met het klavier. Breda heeft al eeuwenlang een stadsbeiaardier. Sinds 1526 verzorgt hij op marktdagen een uur lang muziek uit de toren. Beiaardiers blijven vaak jaren aan de toren verbonden (de langst spelende zelfs 49 jaar). De huidige stadsbeiaardier Jacques Maassen is bijna 32 jaar in dienst.

 

 

Het automatisch speelwerk speelt ieder uur vier melodieën, van ‘s ochtends zeven tot ‘s avonds kwart voor elf. Elk van de vier melodieën klinkt dus per dag elf keer, oftewel 1900 keer per half jaar. Daarna worden nieuwe stukken op het speelwerk gezet: de trommel wordt ‘verstoken’. Dit is puur handwerk. Het bewerken en versteken van de melodieën is ook een taak van de stadsbeiaardier. Nadat hij de muziek thuis heeft gearrangeerd volgt het eigenlijke karwei in de toren. In totaal worden in ca. twee dagen ongeveer 550 noten met de hand in de trommel geschroefd. Samen produceren deze noten ongeveer drie minuten muziek, te verdelen in vier muziekstukjes.

 
 

Klokken en klokjes. Luidklokken en speelklokken.

 

In 1503 wordt gesproken van klokken die dat jaar door de Mechelse gieter Symon Waghevens in de toren zijn geïnstalleerd. Eerst een grote klok met een aantal kleinere klokken die op het halve en hele uur klonken. In 1513 wordt gerept over een 'voorslag'. Een voorslag is een aantal klokjes die direct voor de uurslag enkele tonen laten horen. Rond 1596 werd een klokkenspel geplaatst van klokken die afkomstig waren van andere Bredase kerken. Dit werd uitgebreid tot het in 1685 werd vervangen door een beiaard met 30 klokken, gegoten door Melchior de Haze uit Antwerpen. Na de brand van 1694 moest de toren weer van klokken worden voorzien. In 1695 werden 5 luidklokken door de Antwerpse klokkengieter Passchier Melliaert gegoten in de Zandbergen bij Ginneken. Een nieuw klokkenspel van 35 klokken kwam er pas rond 1723 na een inzamelingsactie van burgemeester Paulus Snellen en stadsbeiaardier en organist Jacob Zeemans. Ook nu weer van een Antwerpse klokkengieter, Guilielmus Witlockx.

Van de 5 luidklokken uit 1695 zijn er nog maar 2 over. De klok met de naam en het wapen van Stadhouder/ Koning Willem III is nu de enige luidklok. De andere is nu onderdeel van het carillon en vervult daarnaast de halfuurslag.

 
 
Beiaard
 

Vanaf 1928 werd de beiaard opnieuw vernieuwd. De oude klokken werden op zes na óf vergoten óf kregen een andere bestemming. Aan de feestelijkheden ter gelegenheid van de ingebruikname van de nieuwe beiaard in 1929 danken wij nog ons huidige Bredase volkslied ("Breda vooruit; de klokken luiden..."). In 1943 vorderden de Duitse autoriteiten vele klokken om vergoten te worden voor de oorlogsindustrie. Zo verloor de Grote Toren 27 klokken. Gelukkig zijn alleen de kleine klokken in 1943 meegenomen. De bezetter kon er van overtuigd worden dat de toren zou instorten als geprobeerd zou worden de grote klokken weg te halen. Dat risico werd niet genomen omdat de toren ook als zendmast dienst deed en daarom niet gemist kon worden. Na de oorlog keerden de elf grootste en zes historische klokken terug. Om de beiaard compleet te maken, werden de ontbrekende 32 klokken in 1952 geleverd. Een vernieuwing van klokkenstoel, mechaniek en klavier midden jaren 70 van de vorige eeuw maakt dat de beiaard tot de beste van Nederland wordt gerekend.

 
 

Automatisch speelwerk

 

Gaandeweg ontstaat in de 16e eeuw het automatisch trommelspeelwerk: een ronddraaiende ijzeren cilinder waarop nokken (noten) zijn bevestigd. Met het draaien van de trommel brengen die nokken via een hefboomsysteem de hamers aan de buitenzijde van de klok in beweging. Op die manier ontstaat een melodie. Rekeningen tonen aan dat dit speelwerk er rond 1586 al was. Na de brand van 1694 wil men een met de hand en automatisch bespeelbare beiaard. In 1723 wordt een gebruikte trommel van Vabrie uit Den Haag geïnstalleerd. Deze trommel was in 1541 in de Haagse St. Jacobstoren geplaatst en had daar tot 1689 dienst gedaan. In Breda heeft deze tot in het begin van de 20ste eeuw gefunctioneerd en werd daarna in het Stedelijk Museum geplaatst. Nu staat hij in het Goud-, Zilver- en Klokkenmuseum in Schoonhoven. Omdat het een van de oudste nog overgebleven speelwerken in Nederland is, geldt het als een pronkstuk van de Nederlandse beiaardcultuur. De trommel die in 1908 werd geplaatst is van de Amsterdamse firma Addicks, heeft een middellijn van 130 cm, een breedte van 125 cm, en is ingericht voor 60 speelhamers. Het totaalgewicht is 1600 kg. Het geheel staat in een aparte ruimte, direct onder de beiaard, op ongeveer 60 m hoogte. De gietijzeren trommel heeft 36000 gaten om de nokken (noten) in vast te schroeven. Met een onderbreking van enkele jaren tijdens de laatste oorlog heeft het speelwerk voortdurend gefunctioneerd. De laatste revisie was tijdens de recente torenrestauratie.

naar boven
Webdesign door ALLWWW Oosterhout